Gedachtegoed 3
Transpersoonlijke psychiatrie en dat wat groter is dan wij.
Het domein van de transpersoonlijke psychiatrie houdt zich bezig met die ervaringen die het beleven van de alledaagse werkelijkheid overschrijden. De eerste vraag die relevant is voor de praktijk is de vraag naar het natuurlijke of het pathologische karakter van die ervaring.
Zoals een bevalling, ondanks de pijn, niet pathologisch behoeft te zijn, zo behoeft een ervaring die de alledaagse werkelijkheid overschrijdt, ondanks de mogelijk aanwezige pijn en angst, niet pathologisch te zijn.
Wij hebben de filosofie nodig om ons denkkader te expliciteren. Psychiaters zijn meestal onbewust van hun denkkader, hetgeen tot spraakverwarring kan leiden. Sommige psychiaters die ook filosofen zijn, tonen bijvoorbeeld aan dat een deel van de diagnostische criteria die wij hanteren in feite waardeoordelen zijn.
Sinds René Descartes staat in het westerse wijsgerig denken het rationele mensbeeld centraal. Met zijn sterke nadruk op de rol van het intellect vervreemdt Descartes de mens van zijn lichaam en common sense wordt bij hem tot een minderwaardige vorm van denken. Ook Immanuel Kant hecht geen belang aan het alledaagse denken, maar bij hem komt daar nog een vervreemding van de alledaagse werkelijkheid bij. De mens kent zijn wereld via de a priori voorstellingsvormen van ruimte en tijd, maar hij kent die wereld slechts als verschijning, nooit zoals ze in zichzelf is. Dit mensbeeld, van zowel Descartes als van Kant, perkt in. Descartes identificeert de mens met zijn bewustzijn en sluit zo de weg naar de buitenwereld af, Kant maakt de wereld tot een constructie van het denken en sluit de mens geheel in zichzelf op. Ervaring is niet langer een kencategorie en daarmee is de wereld, en dus ook de ander, onbereikbaar geworden.
Dit denken heeft onze wetenschap doordrenkt en de ervaring is secundair gemaakt aan de veronderstelde beperking van het kennen. Als psychiaters echter, ontmoeten wij ervaringen van anderen, en mogelijk van onszelf, die we niet volledig kunnen plaatsen binnen de huidig gehanteerde modellen. Wat gebeurt er met onze ordening als we de ervaring van de ander, van onszelf, primair stellen ten opzichte van ons kennen? Dit geeft ruimte ons model dat we in de psychiatrie hanteren uit te breiden, maar wat zijn de risico’s?
Subjectief veranderlijk
Hetgeen wij zien als onze werkelijkheid wordt volgens mij bepaald door onze ervaringen, door de betekenis die wij aan onze ervaringen verlenen en door de manier waarop wij deze betekenissen ordenen. Derhalve zijn de werkelijkheid en de waarheid die wij uit die ervaring afleiden subjectief en veranderlijk. Niets is absoluut, niets bestaat op zichzelf, alles en iedereen verhoudt zich tot iets en iemand. Dit tekent het belang van de dialoog en het belang van respect voor elke ervaren realiteit.
Soms is er verwarring over de oorzaak van een proces en de beschrijving van dat proces en van daaruit kunnen vruchteloze discussies over de werkelijkheid van een gegeven proces ontstaan. Op de een of andere manier wordt er in de beschrijving een causale, maar niet- rationele koppeling gelegd tussen het werkelijkheidsgehalte van de ervaring en de neurofysiologische verschijnselen die deze ervaring vergezellen. De bijna-doodervaring bijvoorbeeld heeft haar eigen neurofysiologisch en biochemisch substraat; prikkeling van dit substraat kan zelfs deze ervaring gedeeltelijk oproepen, maar dit hoeft niets te maken te hebben met de mate van authenticiteit van de bijna-doodervaring. Beide (de ervaring en de neurofysiologische actie) zijn twee kanten van dezelfde medaille.
Uit neurofysiologisch onderzoek1 van de hersenen blijkt dat dezelfde hersenen die ons een gevoel van een zelf aanbieden, ons eveneens de mogelijkheid bieden om te ervaren dat dit zelf, dit ego, overstegen kan worden. Deze laatste ervaring kunnen we dan transpersoonlijk noemen. Een transpersoonlijke ervaring is in principe elke ervaring die de persoon overstijgt. Onder een transpersoonlijke ervaring vallen zowel de transcendente ervaring, waarbij de persoon zichzelf niet meer als persoon ervaart, als een ervaring waarbij een persoon iets waarneemt wat de ander in dezelfde situatie niet waarneemt. Elke transpersoonlijke ervaring is volgens mij in de kern een natuurlijk verschijnsel en geen pathologisch verschijnsel. Immers ons brein geeft ons de mogelijkheid tot deze transpersoonlijke ervaringen. Maar de transpersoonlijke ervaring kan wel verworden tot een pathologisch verschijnsel.
Het is dan ook de taak van de (trans - persoonlijke) psychiatrie aandachtspunten te beschrijven aan de hand waarvan we onderscheid kunnen maken tussen een natuurlijke en eenpathologische transpersoonlijke ervaring. Voorbeelden van deze aandachtpunten zijn: de inhoud van de transpersoonlijke ervaringen, factoren van buitenaf die deze ervaringen hebben opgeroepen, culturele aspecten, eventuele afwijkingen van het brein, de leeftijd, en de fase van bewustwording.
Bewustwording
Dit laatste punt vraagt om toelichting:
In mijn ordening maken wij als mens een proces van bewustwording door. Dit proces heeft verschillende fasen. We kunnen drie hoofdfasen onderscheiden, elke hoofdfase is onder te verdelen in drie subfasen.2 Deze drie hoofdfasen kunnen we als volgt beschrijven:
- Onbewust van onszelf verkeren wij in het vormloze. Wij zijn naamloos.
- Van hieruit vertrekken wij naar de vorm, de scheiding ontstaat, we krijgen een naam en leren ‘ik’ te zeggen. Hiermee ontstaat ook de ander buiten ons, en zodoende ook de almacht, de God buiten ons, de schuld en het zonde besef.
- Dan keren we terug naar huis, naar dat waaruit wij ontstonden. De scheiding begint op te lossen. De ander is (in wezen) ons. Vroeg of laat worden wij weer naamloos.
Onder de eerste fase vallen de autistische fase, de symbiotische fase en het separatie-individuatie proces, en de integratie fase.3 Problemen in deze fase kunnen ondermeer aanleiding geven tot persoonlijkheidsstoornissen. In de tweede fase kunnen we een rolfase, een identiteitsfase en een existentiële fase herkennen. In de derde fase zijn een ‘psychic’ fase, een subtiele fase en een oorzakelijke fase te herkennen.
De overgangen, tussen de eerste en de tweede fase en tussen de tweede en de derde fase, zijn het meest riskant. Vanuit de psychiatrie kennen we met name de ziektebeelden die met de overgang van de eerste naar de tweede fase te maken hebben. Hoe ontwikkelen wij als mens een gezonde persoonlijkheid? En zijn wij als mens voldoende toegerust om een gezonde persoonlijkheid te ontwikkelen, is ons brein gezond?
De verschijnselen die verbonden zijn met de overgang van de tweede naar de derde fase lijken nog onvoldoende bekend. Deze verschijnselen kunnen enerzijds lijken op verschijnselen die behoren bij de overgang van de eerste naar de tweede fase, anderzijds kunnen verschijnselen behorend bij de overgang van de eerste naar de tweede fase lijken op verschijnselen die behoren bij de overgang van de tweede naar de derde fase. Met andere woorden: of iemand denkt dat hij of zij ‘ver’ is in zijn proces van bewust worden, terwijl er nog geworsteld wordt met bijvoorbeeld een persoonlijkheidsstoornis, of iemand denkt dat hij ‘ziek’ is terwijl er in feite sprake is van een gezond proces van bewust worden.
Dit betekent dat het domein van de transpersoonlijke psychiatrie zich richt op beide groepen.
Andere regels
Omdat wij in ons vak vooral getraind zijn in het gebied dat in mijn ordening behoort tot de eerste en de tweede fase van ons proces van bewust worden en wij weinig tot geen training hebben ontvangen in het gebied van de overgang van de tweede en derde fase en de derde fase op zich is het mijns inziens zinnig dat wij ons in toenemende mate op dit laatst genoemde gebied verdiepen.
Dit is een moeilijk gebied, omdat in dit gebied andere regels gelden dan in de ons vertrouwde gebieden. Het gaat om een gebied dat wij niet kunnen kennen, maar wel kunnen ervaren. Er is een domein dat groter is dan wij. Wij zijn immers ingeperkt door de grenzen van onze waarneming. Wij kunnen de wereld slechts door onze ogen zien, de aard van onze ogen en de mogelijkheden van ons brein prikkels te verwerken bepalen de aard van onze waarneming. Dit betekent dat er een gebied is dat wij niet kunnen waarnemen. Wel kunnen wij instrumenten ontwikkelen om ons waarnemingsvermogen uit te breiden, maar er blijft altijd een gebied dat we niet kunnen kennen, maar wel ervaren.
Het voor ons zichtbare leven duikt uit iets op dat groter is dan wij. Het voor ons zichtbare leven zinkt hier ook weer in terug. Het voor ons zichtbare leven is altijd iets voorbijgaand en kortdurend vergeleken bij waar het uit opduikt.4 Dit grotere is voor ons een geheim, en dit geheim blijft per definitie geheim. We kunnen er alleen maar over speculeren. Het gaat om het achten van onze kleinheid, om het achten van het geheim. Het gaat om de kunst ons over te geven aan het grotere dat ons bij de hand neemt.
Noten:
1. Newberg, A., D’Aquili, Rause V., Why God Won’t Go Away, Ballantine Books, New York, 2001
2. zie ook: Wilber, K., Transformation of Conciousness, in The Collected Works of Ken Wilber, Volume four, Shambala, Boston & London, 1999
3. zie ook: Mahler, M.S., Pine, F., Bergman, A., The Psychological Birth of the Human Infant, Symbiosis and transformation, Basic Books, New York, 2000 (herdruk)
4. Zie ook: Hellinger, B., De wijsheid is voortdurend onderweg, pag.337 e.v. , Het Noorderlicht, Groningen, 2002